De snoek is de koning van onze
binnenwateren. Behalve van de mens heeft
een volwassen snoek van niets of niemand iets
te duchten. Snoek is een zogenoemde
toppredator. Hiermee wordt bedoeld dat de
snoek aan de top van de voedselpiramide
staat. Snoek is een vis van stilstaande en de
langzaam stromende wateren. Kleinere snoek die nog vanuit de begroeiing jaagt is te herkennen aan de strepen op de zijkant van het lichaam. De grotere snoek, die op het open water leeft, heeft meer een stippenpatroon. Deze tekening camoufleert vanwege de reflecties van de zon op het water.
Snoek
Latijnse naam:
Esox lucius
Minimummaat:
45 cm
Wettelijke gesloten
tijd:
1 maart t/m 30 juni
Max. lengte :
140 cm.
Max. lengte :
85 cm.
Paaiperiode:
begin maart – eind april
Signalement:
Geen enkele andere vis in het Nederlandse binnenwater
heeft zo'n kenmerkend uiterlijk. Een langgerekt
lijf met een snavelachtige bek. Deze bek zit vol
met scherpe tanden op de kaken en op het verhemelte.
De anaalvin en de rugvin zitten op dezelfde hoogte,
achter op het lijf.
Vaak wordt beweerd dat snoek een zichtjager is. Dit is echter slechts in zeer beperkte mate waar. Het zijlijnorgaan speelt een veel belangrijkere rol bij het jagen. Het zijlijnorgaan registreert de prooivis, bepaalt de grootte van de vis, de snelheid en de richting waarin deze zwemt. Zelfs blinde snoek is nog in staat om prooivis te bemachtigen. Helder water is dus niet noodzakelijk voor de snoek. Wat wel noodzakelijk is voor een goede snoekstand, is dat er voldoende dekking is voor de kleine snoek. Snoeken zijn kannibalen. Als twee kleine snoekjes elkaar zien, dan is er even later nog maar één over. Dekking voor jonge snoek kan worden geboden in de vorm van waterplanten. Alleen snoek die voldoende groot is kan zich zonder gevaar, zonder dekking, in open water begeven.